Pak een kleurplaat waar je al even naar kijkt en twijfel over de kleuren. Kies eerst de lichtste kleur die je wilt gebruiken en leg die naast de donkerste. Als dat contrast goed voelt, heb je al een basis voor de rest van je palet.

Begin met de kleurencirkel, niet met losse kleuren

De kleurencirkel is geen theorie, maar een praktisch hulpmiddel. Hij bestaat uit drie primaire kleuren (rood, geel, blauw), drie secundaire (groen, oranje, paars) en zes tertiaire kleuren die daartussen liggen. Als je een kleur kiest, kijk dan altijd naar de plek op de cirkel. Dat vertelt je precies welke kleuren er van nature bij passen en welke je beter kunt laten liggen.

Voor een rustige uitstraling kies je kleuren die naast elkaar liggen op de cirkel, zoals blauw en groen of geel en oranje. Voor een levendig effect kies je kleuren die tegenover elkaar liggen. Die twee basisprincipes zijn genoeg om elke kleurplaat mee in te kleuren.

Complementaire kleuren: hoog contrast zonder schreeuwen

Complementaire kleuren liggen recht tegenover elkaar op de kleurencirkel. Rood en groen, blauw en oranje, geel en paars. Gebruik ze samen en ze versterken elkaar. Dat komt doordat je oog ze allebei tegelijk wil zien, waardoor het geheel energie krijgt.

De truc is om niet beide kleuren evenveel te gebruiken. Kies één dominante kleur en zet de complementaire kleur in kleine hoeveelheden in, bijvoorbeeld voor een rand, een stip of een schaduw. Zo blijft het contrast aanwezig zonder dat het schreeuwt.

Analoge kleuren: rust en samenhang

Analoge kleuren staan naast elkaar op de kleurencirkel, zoals blauw, blauwgroen en groen. Omdat ze dezelfde onderliggende tint delen, geven ze altijd een rustig en samenhangend beeld. Dat is ideaal voor grote vlakken, zoals een achtergrond of een groot bloemvlak.

Kies drie aangrenzende kleuren en varieer met licht en donker. Je hoeft geen wit of zwart te gebruiken om verschil te maken; een donkerdere variant van dezelfde kleur doet hetzelfde. Voor mandala's werken analoge schema's vaak beter dan complementaire, omdat de herhaling van vormen rust vraagt.

Warm en koel: temperatuur als richting

Warme kleuren (rood, oranje, geel) springen naar voren. Koude kleuren (blauw, groen, paars) zakken juist naar de achtergrond. Dat is geen mening, maar een effect van je ogen. Gebruik dat effect bewust.

Wil je dat een bloem opvalt? Kleur die in warm rood of oranje en de bladeren in koel blauwgroen. Wil je dat een rustige partij juist terugwijkt? Geef die dan een koele kleur. Een veelgemaakte fout is om alles even warm of even koel te maken, waardoor de tekening vlak blijft. Afwisseling in temperatuur zorgt voor diepte.

Beperk je palet tot drie tot vijf kleuren

Je hoeft niet elke kleur uit de doos te gebruiken. Sterker nog: een beperkt palet van drie tot vijf kleuren ziet er bijna altijd beter uit dan een regenboog aan losse kleuren. Die beperking dwingt je om keuzes te maken en zorgt dat de kleurplaat als één geheel blijft voelen.

Kies bijvoorbeeld: een lichte basiskleur, een donkere tegenhanger, één warme en één koele tint, en een accentkleur voor kleine details. Dat zijn er vijf. Meer wordt al snel chaotisch, zeker bij ingewikkelde patronen zoals mandala's. Begin met drie kleuren als je twijfelt; dat is de veiligste keuze.

Test op kladpapier voordat je begint

Je hoeft niet te raden hoe kleuren uitvallen. Pak een klein stukje kladpapier (of de achterkant van een oude print) en zet daar je gekozen kleuren naast elkaar. Kleur er kleine vlakjes mee, naast elkaar en deels over elkaar. Zo zie je direct of ze botsen of juist harmoniëren.

Let daarbij op twee dingen: de kleuren zoals ze uit de verf of het potlood komen, en de dekking. Een lichtgeel potlood dekt anders dan een donkerblauw. Als je met waterverf werkt, test dan ook hoe de kleuren mengen op nat papier. Dat scheelt je een halve kleurplaat die je over moet doen.

Stappen om je palet te testen

  1. Kies drie tot vijf kleuren die je wilt gebruiken.
  2. Teken op kladpapier vijf kleine vierkantjes van ongeveer twee centimeter.
  3. Kleur elk vierkantje met één kleur, en zet ze in dezelfde volgorde als op je kleurplaat.
  4. Leg een donkerder kleur naast een lichtere en kijk of het contrast groot genoeg is.
  5. Kleur twee vierkantjes over elkaar heen en kijk of de onderste kleur nog door de bovenste heen schijnt.
  6. Als het er rommelig uitziet, vervang dan één kleur en test opnieuw.

Achtergrond versus onderwerp: waar moet je beginnen?

De achtergrond is net zo belangrijk als het onderwerp. Een witte achtergrond is prima, maar soms wil je meer sfeer. Kleur de achtergrond dan pas als het onderwerp al ingekleurd is, zodat je niet per ongeluk over de lijnen gaat. Gebruik voor de achtergrond een lichtere of koudere kleur dan het onderwerp, zodat het onderwerp blijft opvallen.

Als je een donkere achtergrond wilt, doe dat dan juist als eerste, want dan kun je later met lichte kleuren over de donkere heen werken. Een andere optie is om de achtergrond te laten zoals hij is en alleen het onderwerp te kleuren. Dat werkt vooral goed bij abstracte kunst, waar de leegte onderdeel is van de compositie. Meer ideeën over het inkleuren van een achtergrond vind je op de pagina over achtergrond van een kleurplaat inkleuren.

Welke kleurplaat past bij welke aanpak?

Niet elke kleurplaat vraagt om dezelfde kleurstrategie. Een mandala met veel herhaling vraagt om een rustig schema, zoals analoog of monochroom. Een abstracte tekening met grote vlakken kan juist een complementair contrast aan. Kijk dus eerst naar de structuur van de tekening voordat je begint.

Voor mandala's geldt: gebruik maximaal vier kleuren en herhaal die in dezelfde volgorde. Dat geeft ritme. Voor abstracte kunst geldt: durf te experimenteren met onverwachte combinaties, want er is geen verkeerd antwoord. Kies een kleurplaat die bij je stemming past, bijvoorbeeld een mandala kleurplaat of een abstracte kunst kleurplaat.

Kleuren combineren met verschillende materialen

Potlood, viltstift, aquarel of krijt: elk materiaal gedraagt zich anders. Met potlood kun je laag over laag werken en zo nieuwe kleuren mengen. Met viltstift is dat lastiger, omdat je de onderliggende kleur niet meer weg krijgt. Aquarel vraagt om lichtere kleuren, omdat je later donkere accenten over de droge verf kunt zetten.

Als je met aquarel werkt, test dan eerst hoe de kleuren op het papier vallen. Sommige kleuren lopen uit, andere niet. Bekijk de tips over aquarelverf op kleurplaten gebruiken voordat je begint. Voor potlood en viltstift geldt: werk van licht naar donker, en bouw kleuren op in meerdere lagen.

De meest gemaakte fout: te veel kleuren willen gebruiken

De grootste valkuil is niet een verkeerde kleurkeuze, maar te veel kleuren door elkaar. Je hebt een mooie combinatie gevonden, en dan komt er opeens nóg een kleur bij, en nog een. Voor je het weet lijkt je kleurplaat op een bonte markt.

Weersta die verleiding. Als je merkt dat je twijfelt of een kleur erbij past, is dat een teken dat je moet stoppen. Een beperkt palet van drie tot vijf kleuren is geen beperking, maar een keuze voor rust en samenhang. En als je echt niet kunt kiezen, kijk dan nog eens naar de kleurencirkel en vraag jezelf af: welke kleur heb ik al gebruikt, en welke ontbreekt er nog maar echt? Die ene toevoeging is vaak genoeg. Meer oefenen met kleuren combineren kan met de kunststijlen kleurplaten of door te experimenteren met spelletjes en activiteiten met kleurplaten.